Share on Facebook
Share on X
Share on Linkdin
Share on Pinterest

Dit verhaal begon op de basisschool.

Mijn vulpen voelde anders dan alle andere pennen. Alsof het schrijven vanzelf ging. De lijnen kwamen moeiteloos op papier. Er zat iets magisch in dat vloeien van inkt. Die vulpen voelde als mijn trots, daar kon ik dingen mee creëren.
Alleen leek ik daar de enige in te zijn. Als ik mijn enthousiasme deelde, was de reactie van mijn klasgenoten “meh”, ze haalde hun schouders op en lieten me praten. Alsof ik iets groters zag dan er eigenlijk was.

Tegelijkertijd kregen we van de docent een duidelijke waarschuwing. “Pas op met vulpennen. De inkt maakt vlekken en die krijg je er niet meer uit.”

In mijn hoofd gebeurde er iets.
Die waarschuwing werd een overtuiging: deze inkt is voor altijd!

Achteraf gezien was dat misschien wel de eerste kennismaking met wat ik nu zou noemen, de blauwe leugen.

Schoolinkt

Schoolinkt is bijna altijd blauw.

En die blauwe inkt heeft een reputatie. Het hoort bij netjes schrijven, bij leren, bij iets dat serieus genomen wordt. Vroeger had het voor mij iets definitiefs, iets wat bleef staan.

Maar kijk je vandaag naar diezelfde categorie, en je ziet iets anders. Er staat vaak expliciet bij: uitwasbaar of uitwisbaar.

Wat ooit voelde als vast en betrouwbaar, blijkt ontworpen te zijn om weer weg te krijgen. Inmiddels zelfs extra doorontwikkeld om nog makkelijker weg te krijgen dan in mijn kindertijd.

Het moment dat het beeld brak

Mijn besef kwam niet door een dramatische ervaring. Geen groot incident, geen verloren notitieboek.

Gewoon een video. Iemand die water op inkt druppelde.

En daar zag ik het gebeuren.
De lijnen die oplosten. De kleur die uitliep. De schijn van permanentie die in een paar seconden verdween.

Het voelde als verraad.

Niet alleen richting de inkt, maar ergens ook richting alles wat ik erbij gedacht had. Dat kleine kind dat geloofde dat schrijven betekent dat iets blijft.

Rationeel gezien wist ik, dit is oprecht een overdreven reactie. Het is maar inkt.
Toch raakte het bij mij een laag die dieper zit.

Mooie namen, kwetsbare realiteit

Vandaag gebruik ik graag inkten zoals Diamine Ancient Copper. De naam alleen al roept iets op. Alsof je schrijft met iets dat geschiedenis draagt. Iets dat gewicht heeft.

Ik moet toegeven dat ik de inkt prachtig vind. Het past perfect bij mijn pen. Het geheel klopt.

Maar die esthetiek vertelt niet het hele verhaal.

Moderne vulpeninkten zijn grotendeels gemaakt om vriendelijk te zijn. Voor je pen, voor het gebruik, voor de gebruiker. Ze mogen niet te agressief zijn, niet te veel schade doen. Daardoor gedragen ze zich vaker als een soort waterverf dan als een onuitwisbaar schriftmiddel.

Historisch gezien was dat anders. IJzergalnoteninkt bijvoorbeeld was veel permanenter, maar ook destructiever. Wat je opschreef bleef, soms zelfs ten koste van het papier.

We hebben iets ingeruild. Duurzaamheid voor veiligheid. Permanentie voor gebruiksgemak.

En dat is begrijpelijk. Maar het verandert wel wat schrijven eigenlijk is.

Schrijven dat niet blijft

Schrijven voelt als iets definitiefs.

Je vertraagt. Je denkt na. Je zet woorden op papier met het idee dat ze blijven staan. Dat ze iets vastleggen van wat er in je leeft.

Maar als het medium zelf kwetsbaar is, ontstaat er frictie.

Ik merkte dat heel concreet. Tijdens een sollicitatiegesprek had ik mijn notitieboekje bij me. Later zag ik dat er stukken waren gaan vlekken. Zweet, spanning, een kleine beweging, en de inkt begon te verschuiven.

Niets groots, maar genoeg om te zien: dit blijft niet vanzelf.

En misschien is dat precies waar het schuurt. Mogelijk in mijn eigen naïviteit.

Wanneer woorden hun stevigheid verliezen

Wat mij hierin raakt, gaat verder dan inkt.

Ik herken het ook in communicatie. Dat moment waarop je iets deelt dat voor jou betekenisvol voelt, misschien zelfs kwetsbaar, en dat het bij de ander niet landt. Dat het vervaagt, verschuift, of dat er simpelweg overheen gepraat wordt.

Alsof jouw woorden hun stevigheid verliezen zodra ze iemand anders bereiken.

Net als die inkt.

We denken vaak dat we iets vast neerzetten, dat onze woorden duidelijk zijn, dat ze blijven staan. Maar de werkelijkheid is vaak vloeibaarder dan we willen toegeven.

Het verlangen naar iets dat blijft

Ik denk dat dit verklaart waarom het verhaal van vulpen inkt me raakt.

Omdat er ergens een verlangen onder zit. Naar iets dat wél blijft. Iets dat niet afhankelijk is van omstandigheden. Niet van water, niet van interpretatie, niet van hoe iemand zich voelt op dat moment.

Voor mij raakt dat aan geloof en vertrouwen.

De Bijbel is daarin bijzonder. Niet omdat het op een spectaculaire manier gepresenteerd wordt, maar omdat het er nog steeds is. Het is permanent en blijft bestaan! Ondanks de vele momenten van tegenstand kun je vandaag de dag nog altijd een Bijbel kopen die oprecht dicht bij de oorspronkelijke grondtekst komt. Hij is door de eeuwen heen bewaard, doorgegeven, gelezen. Niet als iets vluchtigs, maar als iets wat standhoudt.

Dat besef is voor mij alleen maar sterker geworden.

De keuze die overblijft

Uiteindelijk kom ik uit bij een keuze.

Niet per se tussen goed en fout, maar tussen twee benaderingen.

Kies ik voor de schoonheid van de kwetsbare inkt, die beweegt, die misschien zelfs verandert?
Of kies ik voor de zekerheid van iets dat blijft, maar misschien minder spectaculair is?

Eerlijk gezegd kies ik niet volledig voor één van de twee.

Ik geniet nog steeds van die ene kleur die perfect past bij mijn pen. Van het geheel dat klopt. Maar ik geloof de illusie niet meer.

Misschien is dat wel de kern.

Niet dat alles permanent moet zijn, maar dat je doorziet wat het is. Dat je onderscheid maakt tussen wat mooi lijkt, en wat werkelijk draagt.

En als dat begint bij iets simpels als blauwe inkt, dan is dat misschien helemaal niet zo simpel.

Deze post delen op Social Media:

Leave a Reply