Ik weet nog dat ik als kind tegenover een enorme stapel papier zat. De Cito‑toets. Het was aan het einde van de basisschool en het voelde alsof mijn hele toekomst in die bolletjes lag die ik moest inkleuren. Niet alleen het antwoord moest kloppen, ook het inkleuren zelf moest perfect zijn, anders was het alsnog fout. Ik kan me de details niet meer herinneren, maar het feit dat ik het moment nog wél weet, zegt genoeg. Mijn lijf stond strak, mijn gedachten gingen alle kanten op, en ergens diep vanbinnen ontstond een overtuiging die veel te lang is blijven hangen: als je je best doet, kun je falen.
Die gedachte is bij mij ingenesteld en kwam ook naar boven tijdens mijn studie bedrijfseconomie. Ik bleef passief, niet omdat ik het niet kon, maar omdat passiviteit veiliger voelde dan falen. Als ik niet voluit ging, kon ik altijd nog zeggen dat ik het wel had gehaald als ik mijn best had gedaan. Het was een manier om afwijzing te vermijden, een manier om controle te houden. Maar het was ook een manier om mezelf klein te houden.
Paniek is vaak de rook van iets diepers. De angst om te falen, de angst om afgewezen te worden, de angst om alleen te komen staan. En het vreemde is dat het resultaat van toegeven aan die angst je eigenlijk vaak precies daar brengt waar je bang voor bent. Je kiest ervoor om alleen te staan, zodat niemand je kan afwijzen. Je kiest ervoor om niet te proberen, zodat je niet kunt falen. Je kiest ervoor om te vluchten, zodat je niet hoeft te voelen.
Maar achter angst ligt vaak iets waardevols. In mijn geval een verlangen dat ik lang niet durfde te erkennen: ik wil mensen helpen. Ik wil dat iemand door mijn aanwezigheid, mijn woorden, mijn luisterend oor, op de juiste plek terechtkomt. Dat ze ontdekken wat ze nodig hebben, wat ze kunnen, wat ze mogen. Dat ze groeien. En ik weet dat echte hulp begint bij relatie, bij vertrouwen. Dat is niet alleen psychologisch waar[1], maar ook geestelijk. We zijn gemaakt voor relatie, met elkaar en met God.
De angst dat God mij zou afwijzen was misschien wel de grootste. Maar die angst is een leugen. Niet omdat ik dat zelf bedacht, maar omdat waarheid sterker is dan angst. God liegt niet, en Zijn liefde is geen wankele emotie maar een vaststaand feit[2]. Het doorzien van die leugen was geen moment, maar een proces. Een langzaam leren vertrouwen dat Hij mijn Vader is, dat Hij het goede zoekt, dat Hij mij niet laat vallen. Dat ik niet hoef te vluchten voor Hem, en ook niet voor het leven dat Hij mij geeft.
Paniek ontstaat wanneer angst naar buiten breekt. Maar angst zelf is een signaal. Het vertelt je dat er iets op het spel staat. Iets dat je misschien liever niet onder ogen ziet, maar dat wel belangrijk is. Juist daarom is door de angst heen gaan vaak de beste weg vooruit.
Misschien is het tijd dat jij jezelf een paar kritische vragen stelt. Waar ben je bang voor? Wat ligt er achter die angst? Wat zou je vinden als je er doorheen gaat? Wat probeert deze angst eigenlijk te beschermen?
Angst is een slechte raadgever, maar een goede wegwijzer. Niet om je te laten vluchten, maar om je te laten ontdekken wat er werkelijk toe doet. Misschien is het tijd dat jij door jouw angst heen kijkt.
Literatuurlijst (APA‑stijl, verwijzingen via superscript)
- Bordin, E. S. (1979). The generalizability of the psychoanalytic concept of the working alliance. Psychotherapy: Theory, Research & Practice, 16(3), 252–260.
- Köstenberger, A. J., & Patterson, R. (2011). Invitation to Biblical Interpretation: Exploring the Hermeneutical Triad of History, Literature, and Theology. Kregel Academic.