Het bezoek aan mijn werk

Share on facebook
Share on Facebook
Share on twitter
Share on Twitter
Share on linkedin
Share on Linkdin
Share on pinterest
Share on Pinterest

Inmiddels is mijn boek “Ik verdrink” alweer een tijdje beschikbaar en de reacties zijn positief. Uiteraard doet mij dat goed, maar ik wil graag een grotere doelgroep bereiken. Ik geloof dat het een goed boek is om te lezen en dat eigenlijk voor iedereen, maar met name voor mensen die het moeilijk hebben. Mensen die het moeilijk hebben zijn er vandaag de dag helaas erg veel.
In deze post deel ik een stukje uit het midden van mijn boek.
Uiteraard mist er een stuk context, maar ik vermoed dat dit gedeelte uit mijn boek een duidelijk beeld geeft over wat je onder andere kunt verwachten.

Ik zat in de ziektewet, maar moest uiteraard wel in gesprek blijven met mijn werkgever, iets waar ik ook helemaal geen zin in had. Met enige regelmaat moest ik mij bij de bedrijfsarts melden, en ook daar had ik dan goede gesprekken, als ik er nu op terugkijk hadden we zelfs gesprekken over hoe het zover heeft kunnen komen. Daar was ik op dat moment alleen totaal niet mee bezig, ik beantwoorde zijn vragen zo goed als ik kon, maar meer ook niet. Hij vormde zich er echter een beeld bij. Gedurende het proces vertelde hij mij dan ook dingen als; ‘je mist uitdaging in je werk’, of ‘onder je niveau werken kost jou energie’.

Voor mij was het een verplichting om daar op gesprek te komen. Ik moest, ik had er geen zin in. Verder wist ik dat mijn collega’s van die tijd ook enorm betrokken waren met mij en dus ging ik daar ook langs. Wederom zeker niet omdat ik daar zin in had, maar ik moest van mezelf en had het gevoel dat het ook van andere mensen moest. Ik kreeg namelijk nog wel eens telefoontjes van mijn leidinggevende met de vraag hoe het met mij ging. Deze gesprekken zaten altijd vol met zorgzaamheid en mijn herstel werd echt op de eerste plaats gezet. Toch werd het gesprek vaak afgesloten met de mededeling dat iedereen op de afdeling naar mij had gevraagd en met mij mee leefde. In mijn hoofd werd dat direct vertaald naar; “ik moet mijn gezicht daar laten zien”. 
Zo ging ik een keer na mijn bezoek bij de bedrijfsarts langs bij mijn eigen afdeling. Even een bakkie koffie doen, bedacht ik me. Het was in de namiddag, vermoedelijk rond half drie.

Ik stapte het gebouw binnen, de ingang waar ik waarschijnlijk al een krappe duizend werkdagen naar binnen was gegaan. Deze keer was het anders, vreemd, triest en zwaar. Nog enkele minuten en ik zou mijn collega’s weer gaan zien. Wat zouden ze denken? Wat zouden ze tegen mij zeggen? Als ik daar straks de afdeling op stap, zouden ze mij dan negeren? Zouden ze het mij kwalijk nemen dat ik “vrij” ben? Zouden ze mij zien en denken dat mij helemaal niets mankeert?
Rechts van mij hing de digitale prikklok, het voelde vreemd om er langs te lopen en niet mijn personeelsbadge er tegenaan te houden. Schoorvoetend liep ik door naar de trap, ik moest naar de tweede verdieping om uit te komen bij de afdeling waar ik bij hoorde. Of hoorde ik daar inmiddels niet meer bij? Ging er kort door mijn hoofd.
Ik zette mijn voet op de eerste traptrede en bemerkte dat ik bang was om mensen “onderweg” tegen te komen. Als iemand mij zou zien op de eerste verdieping, dan zou die persoon zeker een praatje met mij willen aanknopen. Wat zou ik dan kunnen zeggen? “Ik zit depressief thuis, daarom zie je mij hier nooit”? Nee, dat durfde ik niet, ik verwachtte geen begripvolle reacties. Misschien gewoon jezelf verontschuldigen en doorlopen? Ik was halverwege de eerste trap wanneer ik besloot om inderdaad geen gesprekken aan te gaan onderweg.
De eerste verdieping was bereikt en ik zag niemand, mijn passen kregen een versnelling, om de kans iemand tegen te komen te verkleinen, naar de volgende trap en ik begon een nieuwe beklimming. Bovenaan deze trap was eerst het kantoor van de directeur, alvorens ik bij mijn afdeling uit zou komen. Wat nou als hij mij zou zien en mij zou aanspreken? Dat is vreselijk! Bedacht ik mij en opeens sloeg de vermoeidheid in als een bom. Nog maximaal twaalf treden en ik was boven, maar al was het er nog maar één, ik kon niet meer verder.
Ik leunde zwaar met één arm op de leuning en voegde daar ook mijn tweede arm aan toe, ik moest even rusten. Mijn gedachten waren tijdelijk volledig afgeleid van de meningen van anderen. Op dat moment maakte ik mij alleen nog maar zorgen over het beklimmen van de trap.
Nog elf treden, ik kon het, gewoon… stapje… voor… stapje… 
Ik hoorde de deur opengaan en door de schrik voelde het alsof mijn hart er even mee stopte, om daarna in een hevig versneld tempo weer door te gaan. Wie is dat? Dacht ik bij mezelf.
‘Hey Johan! Oh… gaat het wel? Kom, laat mij je helpen.’
Er werd een arm om mij heen geslagen en ik werd naar de afdeling geholpen. Eenmaal daar, kwamen er al heel snel veel collega’s op mij af. Ze vormde een rij om mij de hand te kunnen schudden.
‘Ga maar even rustig zitten’, zei een collega terwijl hij een stoel achter mij neerzette. ‘Ik pak wel even wat water voor je, wil je ook een kopje koffie?’
‘Ja, lekker’, wist ik uit te brengen.
Hierna begon het handen schudden.
‘Hoe is het met je?’ Het was een gezamenlijke vraag gesteld door de collega’s die inmiddels in een halve kring om mij heen stonden.
Een bekertje water werd mij in de hand gedrukt en de koffie naast mij neergezet.
‘Je ziet er wat pips uit, neem eerst even rustig een slokje’, zei een andere collega met een bezorgde stem.
Toen kwam mijn leidinggevende aanlopen, ‘hey Johan, goed je te zien’, hij gaf mij een stevige hand. ‘Als je straks hier uitgepraat bent, zou je dan nog even met mij willen praten?’ er zat geen druk in zijn stem, ik ervaarde het als volledig vrijblijvend en stemde dan ook in met het verzoek. Hij liep weg en liet mij bij mijn collega’s achter om rustig mijn verhaal te kunnen doen.
Ik vertelde over mijn ervaringen en dat alles wat ik deed zo belachelijk veel energie leek te kosten. Alleen het kijken naar mijn wasmand kon mij al uitputten. Iedereen bleef staan en luisterde, ik voelde mij begrepen en gehoord.
Uiteindelijk na veel vraag en antwoord, na een uitgebreid verhaal, besloot een collega dat het weer tijd was om te gaan werken. ‘Super om je weer te zien Johan, we maakten ons echt zorgen om je. Let goed op jezelf! Rustig aan doen en je geen zorgen maken om het werk.’ Hij schudde mij wederom de hand en ging terug naar zijn eigen werkplek. De meeste anderen volgde zijn voorbeeld, maar een stuk of drie collega’s trokken er een stoel bij en kwamen bij mij zitten.
Ons gesprek ging verder over mijn situatie en ze toonden hun medeleven en hun begrip. Misschien waren dit de mensen die in hun leven hetzelfde hadden meegemaakt? Bedacht ik mij.

Een behoorlijke tijd later stapte ik het kantoor van mijn leidinggevende in, zoals ik had beloofd. Ik voelde weer een enorme spanning opbouwen in mijn lijf. Had ik hem te lang laten wachten? Zou hij mij vertellen dat ze mij kwijt willen? Bedacht ik mij.

door Johan van Breugel uit ‘Ik verdrink’

In mijn boek heb ik geprobeerd om zoveel mogelijk vanuit mijn eigen ervaring te schrijven. Wat ik heb meegemaakt, maar belangrijker dan dat hoe ik het heb ervaren. Ik geloof dat het lezen hiervan een bijzonder inzicht kan geven in wat een depressie kan betekenen. Uiteraard geef ik in mijn boek ook aan wat voor mij hulpvolle en waardevolle momenten waren.

Hier mijn post over waar mijn boek te verkrijgen is.

Deze post delen op Social Media:

Share on facebook
Share on google
Share on twitter
Share on linkedin
Share on pinterest
Share on whatsapp
Share on email

Leave a Reply